Door het decreet van 23 maart 2012 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd op 20 april 2012, wordt de VCRO gewijzigd.
Die wijziging is het gevolg van recente rechtspraak van het Hof van Justitie over de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. In het arrest van 24 maart 2011 heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de Vlaamse regelgeving niet in overeenstemming is met een aantal bepalingen van richtlijn 85/337/EEG.
Het arrest heeft tot gevolg dat bepaalde aspecten van de Vlaamse regelgeving op het gebied van milieueffectbeoordeling van projecten moesten worden herzien zodat voor alle projecten die opgesomd zijn in bijlage II van de richtlijn, geval per geval beslist wordt of er al dan niet aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn ten gevolge van het concrete project. Bij die beslissing moet er rekening gehouden worden met de criteria, vermeld in bijlage III van de richtlijn.
Concreet worden de artikelen 4.7.14 en 4.7.26 VCRO gewijzigd en worden artikel 4.7.14/1 en 4.7.26/1 VCRO ingevoegd.
Zo zal het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek, bedoeld in artikel 4.7.14 VCRO, aan de aanvrager verstuurd worden binnen een ordetermijn van 30 dagen, waar vroeger sprake was van 14 dagen.
In artikel 4.7.26 VCRO worden de bewoordingen “milieueffectenrapportage, of in aanmerking komt voor een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van deze verplichting” vervangen. Artikel 4.7.26, §1, 1° VCRO schrijft thans met betrekking de bijzondere procedure voor dat een vergunning wordt afgeleverd door “hetzij de Vlaamse Regering of de gedelegeerde stedenbouwkundige ambtenaar, voor zover het aangevraagde onderworpen is aan de verplichting tot het opmaken van een milieueffectrapport”.
Daarnaast wordt ook de ordetermijn van 14 dagen, bedoeld in artikel 4.7.26 VCRO, waarbinnen het resultaat van het ontvankelijksheids- en volledigheidsonderzoek dient te worden verstuurd aan de aanvrager, verlengd naar 30 dagen.
Het nieuwe artikel 4.7.14/1 VCRO luidt als volgt:
“§ 1. Als de vergunningsaanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota als vermeld in artikel 4.3.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, omvat, onderzoekt de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, zijn gemachtigde of de gemeentelijke administratie, die nota en neemt een beslissing of er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld.
§ 2. Er hoeft geen milieueffectrapport over het project te worden opgesteld als de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, zijn gemachtigde of de gemeentelijke administratie oordeelt dat: 1) een toetsing aan de criteria van bijlage II van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu; of 2) vroeger al een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of aanvullende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.
§ 3. De beslissing dat een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag tot gevolg.
De aanvrager kan in dat geval een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.”
Het nieuwe artikel 4.7.26/1 VCRO luidt op zijn beurt als volgt:
“§ 1. Als de vergunningsaanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota als vermeld in artikel 4.3.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, omvat, onderzoekt het vergunningverlenende bestuursorgaan of zijn gemachtigde, die nota en neemt een beslissing of er een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld.
§ 2. Er hoeft geen milieueffectrapport over het project te worden opgesteld als het vergunningverlenende bestuursorgaan of zijn gemachtigde oordeelt dat : 1) een toetsing aan de criteria van bijlage II van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu; of 2) vroeger al een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of aanvullende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.
§ 3. De beslissing dat een milieueffectrapport over het project moet worden opgesteld, heeft van rechtswege de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag tot gevolg.
De aanvrager kan in dat geval een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 4.3.3, § 3 tot en met § 9, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.”
Deze wijziging en invoeging van deze artikelen treedt in werking op 30 april 2012.
De vraag stelt zich hoe onze rechtbanken zullen oordelen over de oude situatie en de overgangssituatie. Lees alvast dit recente arrest nr. 218.458 van 14 maart 2012 van de Raad van State..
donderdag 26 april 2012
Regeling milieueffectenrapportage in VCRO gewijzigd
Houder van stedenbouwkundige vergunning zonder zakelijk recht op het perceel heeft ook recht op compensatie bij bouwverbod ten gevolge van aanwijzing als beschermd duingebied
Lees hier het bericht op onze blog VCRO.
woensdag 18 april 2012
Vlaamse ombudsman kritisch over werking Raad voor Vergunningsbetwistingen
Lees dit uittreksel uit zijn Jaarverslag 2011:
"Vroeger, toen was het erg. Toen was de Raad van State je rechter, als je tegen een stedenbouwkundige vergunning een beroep instelde. Maar wachten dat je daar moest! Jaren kon je wachten op je uitspraak. Wel, dat ging Vlaanderen nu eens beter doen.
Op 1 december 2009 ging de Raad voor Vergunningsbetwistingen van start. De Raad is een onafhankelijk Vlaams administratief rechtscollege, waarbij de burger beroep kan aantekenen tegen beslissingen over stedenbouwkundige of verkavelingsvergunningen.
Mevrouw Van Brabant kan er ondertussen van meespreken.
Haar buren tekenen beroep aan tegen haar bouwvergunning. Uiteindelijk komt het dossier bij de Raad terecht. Op een hoorzitting in april 2010 stelde de rechter haar voor niet met de werken te beginnen: dan zou de beslissing sneller genomen kunnen worden. Na een tweede hoorzitting op 28 juni 2010 krijgt mevrouw Van Brabant te horen dat zij binnen 60 dagen een uitspraak mag verwachten. Maar die kwam er dus niet. Niet na 60 dagen op 28 augustus 2010. En ook niet op 28 augustus 2011. En 21 maanden later, wacht zij nog altijd.
Mevrouw Van Brabant heeft al een paar keer naar de stand van zaken gevraagd, maar zij krijgt telkens weer te horen dat ze zelf niet weten wanneer de uitspraak zal volgen. Zij zit ondertussen met een serieuze financiële kater: het verlaagde btwtarief kan zij vergeten en de bouwprijzen en hypotheekkosten zijn gestegen.
Mevrouw Van Brabant klaagt dus terecht over die onredelijke termijn. Zij vindt het ook onaanvaardbaar dat ze haar niet kunnen zeggen wanneer die uitspraak zal volgen. "Rechtsonzekerheid" wordt dat genoemd.
Die onaanvaardbare dossierachterstand van de Raad is besproken in de bevoegde parlementaire commissie. Daar werden verbeteracties aangekondigd. Het is maar zeer de vraag of en wanneer die achterstand ooit weggewerkt zal raken. Op de website van de Raad voor Vergunningsbetwistingen wordt ondertussen met geen woord gerept over die achterstand. "Gebrek aan voorzorg" wordt dat genoemd.
Het is jammer dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen en de beleidsmakers in de Regering en het Parlement een echte verzoening onmogelijk maken.
De belangrijkste constante in dit klachtenbeeld uit 2011 is de ondertussen echt wel geheel onaanvaardbare achterstand bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Concrete doorlooptijden, die de ombudsman met eigen ogen zag, bevestigen dat een onredelijke behandeltermijn de standaardsituatie is bij deze Raad voor Vergunningsbetwistingen. Hoe anders concluderen, wanneer men 13 maanden wacht op een schorsingsarrest en wanneer er na 20 maanden nog geen datum is voor de zitting over het verzoek tot vernietiging (2011-0102); of wanneer er 21 maanden nodig zijn voor een vernietigingsarrest (2011-0146); of wanneer de zitting over het verzoekschrift tot vernietiging pas na 15 maanden volgt en er en na 23 maanden nog geen arrest is (2011-0452)?
De structurele achterstand bij de Raad en de daarvoor aangehaalde oorzaken zijn genoegzaam bekend, en de aandacht moet dan ook vooral uitgaan naar de acties en nieuwe denkpistes om tot aanvaardbare behandeltermijnen te komen. De Raad stelt zich concreet gemiddelde ehandeltermijnen van een jaar, tot anderhalf jaar, tot doel. Er wordt gewerkt aan efficiëntiewinsten, maar blijkbaar zou zelfs de indiensttreding van het decreetaal voorziene vijfde raadslid niet volstaan om de achterstand weg te werken. Zo worden sommige dossiers bevroren, en wordt voorrang gegeven aan de verzoekschriften vanaf 1 september 2011. De Raad hoopt op aanvullend personeel, de minister onderzoekt een decreetswijziging. Voor de Vlaamse Ombudsdienst valt het in geen geval goed te praten dat wie in februari 2011 een verzoekschrift indiende, nóg veel langer op een uitspraak zal moeten wachten dan wie dat in september 2011 gedaan heeft.
De achterstand van de eerste twee werkjaren moet zo snel mogelijk weggewerkt worden.
Minstens moet ook voor die dossiers een bepaalde maximumtermijn kunnen worden gegarandeerd. Zowel de Raad zelf als de Vlaamse beleidsmakers dragen hier een erg grote verantwoordelijkheid".
"Vroeger, toen was het erg. Toen was de Raad van State je rechter, als je tegen een stedenbouwkundige vergunning een beroep instelde. Maar wachten dat je daar moest! Jaren kon je wachten op je uitspraak. Wel, dat ging Vlaanderen nu eens beter doen.
Op 1 december 2009 ging de Raad voor Vergunningsbetwistingen van start. De Raad is een onafhankelijk Vlaams administratief rechtscollege, waarbij de burger beroep kan aantekenen tegen beslissingen over stedenbouwkundige of verkavelingsvergunningen.
Mevrouw Van Brabant kan er ondertussen van meespreken.
Haar buren tekenen beroep aan tegen haar bouwvergunning. Uiteindelijk komt het dossier bij de Raad terecht. Op een hoorzitting in april 2010 stelde de rechter haar voor niet met de werken te beginnen: dan zou de beslissing sneller genomen kunnen worden. Na een tweede hoorzitting op 28 juni 2010 krijgt mevrouw Van Brabant te horen dat zij binnen 60 dagen een uitspraak mag verwachten. Maar die kwam er dus niet. Niet na 60 dagen op 28 augustus 2010. En ook niet op 28 augustus 2011. En 21 maanden later, wacht zij nog altijd.
Mevrouw Van Brabant heeft al een paar keer naar de stand van zaken gevraagd, maar zij krijgt telkens weer te horen dat ze zelf niet weten wanneer de uitspraak zal volgen. Zij zit ondertussen met een serieuze financiële kater: het verlaagde btwtarief kan zij vergeten en de bouwprijzen en hypotheekkosten zijn gestegen.
Mevrouw Van Brabant klaagt dus terecht over die onredelijke termijn. Zij vindt het ook onaanvaardbaar dat ze haar niet kunnen zeggen wanneer die uitspraak zal volgen. "Rechtsonzekerheid" wordt dat genoemd.
Die onaanvaardbare dossierachterstand van de Raad is besproken in de bevoegde parlementaire commissie. Daar werden verbeteracties aangekondigd. Het is maar zeer de vraag of en wanneer die achterstand ooit weggewerkt zal raken. Op de website van de Raad voor Vergunningsbetwistingen wordt ondertussen met geen woord gerept over die achterstand. "Gebrek aan voorzorg" wordt dat genoemd.
Het is jammer dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen en de beleidsmakers in de Regering en het Parlement een echte verzoening onmogelijk maken.
De belangrijkste constante in dit klachtenbeeld uit 2011 is de ondertussen echt wel geheel onaanvaardbare achterstand bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Concrete doorlooptijden, die de ombudsman met eigen ogen zag, bevestigen dat een onredelijke behandeltermijn de standaardsituatie is bij deze Raad voor Vergunningsbetwistingen. Hoe anders concluderen, wanneer men 13 maanden wacht op een schorsingsarrest en wanneer er na 20 maanden nog geen datum is voor de zitting over het verzoek tot vernietiging (2011-0102); of wanneer er 21 maanden nodig zijn voor een vernietigingsarrest (2011-0146); of wanneer de zitting over het verzoekschrift tot vernietiging pas na 15 maanden volgt en er en na 23 maanden nog geen arrest is (2011-0452)?
De structurele achterstand bij de Raad en de daarvoor aangehaalde oorzaken zijn genoegzaam bekend, en de aandacht moet dan ook vooral uitgaan naar de acties en nieuwe denkpistes om tot aanvaardbare behandeltermijnen te komen. De Raad stelt zich concreet gemiddelde ehandeltermijnen van een jaar, tot anderhalf jaar, tot doel. Er wordt gewerkt aan efficiëntiewinsten, maar blijkbaar zou zelfs de indiensttreding van het decreetaal voorziene vijfde raadslid niet volstaan om de achterstand weg te werken. Zo worden sommige dossiers bevroren, en wordt voorrang gegeven aan de verzoekschriften vanaf 1 september 2011. De Raad hoopt op aanvullend personeel, de minister onderzoekt een decreetswijziging. Voor de Vlaamse Ombudsdienst valt het in geen geval goed te praten dat wie in februari 2011 een verzoekschrift indiende, nóg veel langer op een uitspraak zal moeten wachten dan wie dat in september 2011 gedaan heeft.
De achterstand van de eerste twee werkjaren moet zo snel mogelijk weggewerkt worden.
Minstens moet ook voor die dossiers een bepaalde maximumtermijn kunnen worden gegarandeerd. Zowel de Raad zelf als de Vlaamse beleidsmakers dragen hier een erg grote verantwoordelijkheid".
dinsdag 17 april 2012
Kan de toets aan de goede ruimtelijke ordening nieuwe landbouwgebouwen in agrarisch gebied verhinderen?
In het arrest nr. S/2012/0060 van 28 maart 2012 schorst de Raad voor Vergunningsbetwistingen een stedenbouwkundige vergunning voor de oprichting van een nieuw varkensbedrijf dat gelegen is in agrarisch gebied.
De Raad voor Vergunningsbetwistingen argumenteert:
“Noch in de bestreden beslissing, noch in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad H., waarin weliswaar wel wordt verwezen naar de verkaveling gelegen aan de M., wordt bij de beschrijving van de in de omgeving bestaande toestand ook maar enige melding gemaakt van de tegenover het perceel waarop de aanvraag slaat, aanwezige residentiële bebouwing. De aanwezigheid van de woning van onder andere de verzoekende partij wordt derhalve op geen enkele wijze concreet, laat staan afdoende, betrokken bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening. De omstandigheid dat vermelde woningen zonevreemd zijn, al laat de tussenkomende partij na aan te tonen dat deze woningen onvergund zouden zijn, is dan ook irrelevant.
De loutere overweging “…dat men zich in het agrarisch gebied bevindt en een landbouwer het recht heeft om er zijn beroep uit te oefenen. Het kan niet zijn dat eigenaars van zonevreemde woningen het effectieve gebruik van het agrarisch gebied kunnen boycotten. Wonen in het agrarisch gebied hangt nauw samen met de aanwezigheid van open zichten en landschappen, maar houdt ook in dat er een nauwe relatie bestaat met de landbouwactiviteiten”, lijkt dan ook veeleer een kritiek op het feit dat de huidige verzoekende partij administratief beroep heeft aangetekend tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad H. dan een daadwerkelijk concrete en afdoende beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening in het licht van artikel 4.3.1. §1, eerste lid, 1°, b en §2, eerste lid, 1° en 2° VCRO.
In zoverre in de bestreden beslissing wordt verwezen naar de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad H. en de verwerende partij zich het standpunt van het college eigen maakt, is de Raad van oordeel dat vermelde beslissing evenzeer is aangetast door ernstige motiveringsgebreken en dus, in het bijzonder voor wat de beoordeling van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening betreft, niet met goed gevolg kan aangewend worden door de verwerende partij zonder hierdoor de wettigheid van haar eigen beslissing te hypothekeren.”
De vraag die zich stelt is of de Raad voor Vergunningsbetwistingen afstapt van de traditionele rechtspraak dat van residentiële bewoners in agrarisch gebied een grotere tolerantie mag verwacht worden, dan wel en enkel sanctioneert dat in dit dossier een reële toets aan de goede ruimtelijke ordening geheel ontbreekt.
De Raad voor Vergunningsbetwistingen argumenteert:
“Noch in de bestreden beslissing, noch in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad H., waarin weliswaar wel wordt verwezen naar de verkaveling gelegen aan de M., wordt bij de beschrijving van de in de omgeving bestaande toestand ook maar enige melding gemaakt van de tegenover het perceel waarop de aanvraag slaat, aanwezige residentiële bebouwing. De aanwezigheid van de woning van onder andere de verzoekende partij wordt derhalve op geen enkele wijze concreet, laat staan afdoende, betrokken bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening. De omstandigheid dat vermelde woningen zonevreemd zijn, al laat de tussenkomende partij na aan te tonen dat deze woningen onvergund zouden zijn, is dan ook irrelevant.
De loutere overweging “…dat men zich in het agrarisch gebied bevindt en een landbouwer het recht heeft om er zijn beroep uit te oefenen. Het kan niet zijn dat eigenaars van zonevreemde woningen het effectieve gebruik van het agrarisch gebied kunnen boycotten. Wonen in het agrarisch gebied hangt nauw samen met de aanwezigheid van open zichten en landschappen, maar houdt ook in dat er een nauwe relatie bestaat met de landbouwactiviteiten”, lijkt dan ook veeleer een kritiek op het feit dat de huidige verzoekende partij administratief beroep heeft aangetekend tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad H. dan een daadwerkelijk concrete en afdoende beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening in het licht van artikel 4.3.1. §1, eerste lid, 1°, b en §2, eerste lid, 1° en 2° VCRO.
In zoverre in de bestreden beslissing wordt verwezen naar de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad H. en de verwerende partij zich het standpunt van het college eigen maakt, is de Raad van oordeel dat vermelde beslissing evenzeer is aangetast door ernstige motiveringsgebreken en dus, in het bijzonder voor wat de beoordeling van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening betreft, niet met goed gevolg kan aangewend worden door de verwerende partij zonder hierdoor de wettigheid van haar eigen beslissing te hypothekeren.”
De vraag die zich stelt is of de Raad voor Vergunningsbetwistingen afstapt van de traditionele rechtspraak dat van residentiële bewoners in agrarisch gebied een grotere tolerantie mag verwacht worden, dan wel en enkel sanctioneert dat in dit dossier een reële toets aan de goede ruimtelijke ordening geheel ontbreekt.
donderdag 29 maart 2012
RWO geeft aanbevelingen voor het opmaak van een RUP
De VCRO geeft aan welke de mogelijkheden zijn in verband met de vergunbaarheid en in welke mate de voorschriften uit een RUP deze mogelijkheden kunnen versoepelen, verscherpen of verbieden.
Het departement RWO publiceerde recent aanbevelingen voor de opmaak van een RUP. Het document bevat handige tabellen die aangeven welke de decretale mogelijkheden tot vergunnen zijn en in hoeverre een RUP soepelere of strengere voorschriften mag opnemen.
woensdag 21 maart 2012
Betalingsopdracht volstaat als bewijs betaling van dossiertaks RvVb
In een recent arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 6 maart 2012 heeft de Raad zich soepel opgesteld ten opzichte van de decretale ontvankelijkheidsvereiste uit artikel 4.7.21, §5 VCRO met betrekking tot. het bewijs van betaling van de dossiertaks.
Dit artikel bepaalt dat het beroepschrift bij de deputatie, op straffe van onontvankelijkheid, dient vergezeld te zijn met een bewijs van dossiervergoeding van 62,50 euro.
Vraag die in het verleden voor de Raad van State rees was, in het bijzonder in het kader
van het beroep tegen een milieuvergunning, wat nu juist onder een 'bewijs van betaling' dient te worden verstaan.
De Raad voor Vergunningsbetwistingen overweegt nu dat een bewijs van betalingsopdracht, dat aanvaard wordt door de postdiensten, voldoende is:
“Aan deze ontvankelijkheidsvoorwaarde is naar het oordeel van de Raad voldaan wanneer bij
het beroepsschrift het bewijs wordt gevoegd dat een overschrijvingsopdracht werd gegeven om de dossiervergoeding te betalen en dat deze opdracht werd aanvaard. Wanneer de betaling daadwerkelijk wordt uitgevoerd, hangt immers af van het tijdstip waarop de bank de opdracht verwerkt. Een beroepsindiener heeft het niet in de hand wanneer het geld door de postdiensten of de bank daadwerkelijk op de rekening van de verwerende partij is overgeschreven en kan
dus niet altijd het bewijs van daadwerkelijke betaling of creditering bij het beroepsschrift voegen.
Deze opvatting sluit aan bij het arrest 8/2011 van het Grondwettelijk Hof van 27 januari 2011. Met betrekking tot het te leveren bewijs van de betaling van de dossiervergoeding stelt het Grondwettelijk Hof in overweging B.17.4.3 dat de indiener van het beroep er mee kan volstaan bij zijn beroepschrift een kopie te voegen van het bewijs dat hij de storting heeft uitgevoerd.
De Raad stelt vast dat in casu een dergelijk bewijs werd geleverd. De raadsman van de verzoekende partijen heeft op 6 januari 2010 een ter post afgestempelde betalingsopdracht
gegeven om de dossiervergoeding van 62,50 euro te storten op de rekening van de verwerende partij. Uit stuk 7 van het administratieve dossier van de verwerende partij en stuk 1 van het stukkenbundel van de verzoekende partijen blijkt dat het bewijs van deze ter post afgestempelde betalingsopdracht bij het beroepsschrift werd gevoegd, wat door de verwerende partij en de tussenkomende partij ook niet wordt betwist. Evenmin wordt door de partijen betwist dat de
betaling van de dossiervergoeding daadwerkelijk op de rekening van de verwerende partij werd ontvangen op 8 januari 2010.
Het feit dat op het stortingsbewijs, afgeleverd door de postdiensten, geen rekeningnummer is
vermeld, is geen deugdelijke grondslag voor het onontvankelijk verklaren wegens niet betaling van de dossiertaks aangezien de betalingsopdracht door de postdiensten werden geattesteerd. Op het ogenblik dat de verwerende partij het onderzoek naar de ontvankelijkheid, en meer bepaald inzake het bewijs van betaling uitvoert, reeds lang op de rekening van de verwerende partij. De
verzoekende partijen hebben trouwens uit eigen beweging, en meer bepaald op 12 januari 2010, een bewijs van debitering van hun eigen rekening, aan de verwerende partij bezorgd.
Art. 4.7.21, §5 VCRO wordt door de verwerende partij te eng geïnterpreteerd. Dergelijke enge interpretatie strookt niet met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met het Verdrag van Aarhus in zoverre deze interpretatie ertoe zou leiden dat het recht op administratief beroep op zodanige wijze zou worden beperkt dat de kern ervan wordt aangetast en de rechtsonderhorige wordt verhinderd gebruik te maken van een beschikbaar rechtsmiddel.”
De Raad lijkt dus paal en perk te stellen aan de veelvuldig geponeerde argumentatie van overheden die menen dat een betalingsopdracht, aanvaard door de postdiensten, geen effectief bewijs is van betaling is, omdat uit niets zou blijken dat het bedrag van de dossiertaks effectief van de rekening is gehaald.
Koppeling van de milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning heeft belangrijke impact op vervalregeling
Voor de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde werd opgeworpen dat een stedenbouwkundige vergunning vervallen was omdat de verwezenlijking van de stedenbouwkundige vergunning niet binnen de 2 jaar na de afgifte van de vergunning in laatste administratieve aanleg gestart was (artikel 4.6.2 §1, 1° VCRO).
De rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde spreekt dit tegen:
“In geen enkele wetgeving (noch ruimtelijke ordening noch milieuwetgeving) is een termijn bepaald waarbinnen een milieuvergunningsaanvraag/melding dient ingediend te worden zodat men inderdaad tot een situatie kan komen dat een stedenbouwkundige vergunning verleend wordt doch de uitvoerbaarheid gedurende jaren opgeschort blijft omdat de bouwheer geen initiatief neemt om een milieuvergunning of een melding in te dienen.
M.a.w. was de stedenbouwkundige vergunning dd. 13 april 2006 geenszins vervallen op het ogenblik van de aanvang van de werken in december 2008 vermits zij nog steeds geschorst was in afwachting van de melding die gebeurde in maart 2009.”
Referentie : Rb. Dendermonde 19 november 2010, AR 09/1731/A, ng (pub503481)
De rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde spreekt dit tegen:
“In geen enkele wetgeving (noch ruimtelijke ordening noch milieuwetgeving) is een termijn bepaald waarbinnen een milieuvergunningsaanvraag/melding dient ingediend te worden zodat men inderdaad tot een situatie kan komen dat een stedenbouwkundige vergunning verleend wordt doch de uitvoerbaarheid gedurende jaren opgeschort blijft omdat de bouwheer geen initiatief neemt om een milieuvergunning of een melding in te dienen.
M.a.w. was de stedenbouwkundige vergunning dd. 13 april 2006 geenszins vervallen op het ogenblik van de aanvang van de werken in december 2008 vermits zij nog steeds geschorst was in afwachting van de melding die gebeurde in maart 2009.”
Referentie : Rb. Dendermonde 19 november 2010, AR 09/1731/A, ng (pub503481)
Abonneren op:
Berichten (Atom)